Zwerfkeien

0
176
Lichtblauw blokje

“Kun je niet van kei naar kei lopen?”, vraagt de gemeente-ambtenaar aan me. “Wat?”, vraag ik, niet zeker wetend of hij een grap maakt of niet. “Van kei naar kei lopen,”, herhaalt hij, “dan leggen we hier drie van die zwerfkeien neer, dat voel je toch wel met die stok?” “Dat ga ik niet doen,” antwoord ik hem, “dan val ik er overheen.” De gemeenteambtenaar zucht. Hij lijkt het allemaal maar een hoop gedoe te vinden.

We staan op een klein pleintje voor de ophaalbrug. De stoeprand is hier opgehouden, dus heb ik geen natuurlijke gidslijn meer die ik met mijn taststok kan volgen om de brug te bereiken. Er is alleen maar plein, zonder voelbaar houvast op de grond. De kade aan de rand van het mini-pleintje heeft bovendien geen balustrade, maar houdt ineens op. De kans is dus aanzienlijk dat ik het water in loop. Dit heb ik twee weken geleden aan de gemeente gemeld. Er moet een stukje geleidelijn op de grond komen. Ribbeltegels. Maar dat gaat niet zonder slag of stoot.

“Ik zal kijken wat ik kan doen. We hebben het druk. Je vraagt ook nogal wat van ons, hè?” Ah, daar is-ie weer. Ik moet weer eens onderdanig dankbaar zijn voor zoveel barmhartige goedheid van de witte, niet-gehandicapte man. Maar ik gun hem mijn vernedering niet, dus recht ik mijn rug en zeg ik niets.

14 weken later ligt er een geleidelijn. Eentje van zwart, Chinees steen, want zo’n witte, contrastrerende geleidelijn, zoals die beschreven staan in de richtlijnen, vond de architect van de woonwijk niet mooi. “Dat past niet in het straatbeeld.”, had hij gezegd. Ik weet dat er blindenorganisaties zijn die vinden dat je dan voet bij stuk moet houden en de richtlijnen gevolgd moeten worden. Ik kom echter uit een nest van politici en leerde als kind al dat je soms voor het compromis moet gaan. Omdat er anders niks komt. En dat politieke veranderingen heel veel tijd kosten. Dus was ik akkoord gegaan, en bekijken de gemeenteambtenaar en ik nu het resultaat. “Je hebt er maar mooi mazzel mee,”, zegt hij, “er woont hier verder niemand zoals jij.” “Zo,”, pareer ik gelijk, “zeg je dat ook wel eens tegen mensen van kleur? Of tegen homo’s?” Hij snuift minachtend. “Nee, natuurlijk niet.” Ik kijk bedenkelijk, maar laat het erbij. Het heeft geen zin.

Thuis besluit ik gelijk in tuiniertherapie te gaan. Ik trek mijn rode t-shirt en blauwe tuinbroek aan en schiet in mijn groene tuinklompen. Een tijd lang zit ik zo onkruid uit de moestuinbedden te plukken. Ik kan precies voelen welke plantjes er wel en niet in thuishoren. Het werk maakt me rustig. In het boek “Tuinieren voor de geest” van de psychiater Sue Stuart-Smith las ik dat dit ook in letterlijke zin zo is. In de aarde zit namelijk een bepaalde stof, die er bij aanraking voor zorgt dat er stress-verlagende stoffen in de hersenen worden aangemaakt. Aanraken is iets goeds. Als ik bij het bed met de tomatenplanten aankom, pak ik een van de planten beet en schud voorzichtig de onlangs gevallen regendruppels van de blaadjes. Tomatenplanten worden ook wel de diva’s van de moestuin genoemd. Bevattelijk als ze zijn voor elk zuchtje schimmel of ziektekiem. En regen op hun blaadjes blieven ze ook niet. “Er woont hier niemand zoals jij.” zeg ik schertsend tegen de diva. In mijn gedachten knikt de tomatenplant bedachtzaam. “Dat klopt,”, beaamt ze, “ik ben uniek.” Ik glimlach. Ja, zo kun je het natuurlijk ook bekijken.