Een heel gewoon treinreisje

0
165
Donkerblauw blokje

Stressmoment. Hoe weet ik waar de treindeur is? Ik sta op het perron van het makkelijkste station van Nederland, waar de geleidelijnen tot aan de hemel reiken. Maar die treindeur vinden. Dat klusje is zelfs hier nog niet zomaar geklaard. De zon staat laag aan diezelfde hemel en schijnt recht in mijn gezicht. Ik draag een zonnebril, maar desondanks heb ik door het felle licht niet veel aan het beetje zicht dat ik nog heb. Ik heb via NS Reisassistentie uitstaphulp aangevraagd op het station waar ik heen ga. Maar ik bedenk me nu dat instaphulp eigenlijk ook wel handig was geweest. Zelfs in dit geleidelijnen-walhalla, waar ik dacht het niet nodig te hebben.

Ik zie een schim van een mens, vermoedelijk een man, een stukje verder staan. Ik zou hem naar een deur kunnen volgen. Maar als de trein voor ons stopt, beweegt hij zich niet. Ik realiseer me dat hij op iemand staat te wachten en niet in gaat stappen. Ik moet het zelf uitzoeken. Ik hoor de bekende onderbroken pieptoon van de treindeur die opengaat. Maar alle deuren van de Sprinter piepen bij opengaan, dat maakt de localisatie van één ervan moeilijker. Ik zie nog net vaag een openschuivend iets, en loop erop af. Het is een deur. Ik neem een grote stap naar binnen, om maar te voorkomen dat ik niet tussen trein en perron terecht kom. De stap is waarschijnlijk vele malen groter dan noodzakelijk, maar better safe than sorry.

Ik sta in de trein. Stressmoment. Hoe weet ik waar ik kan zitten? Zeker nu het niet overal mag, in verband met corona. Er zit niks anders op dan te voelen met mijn vrije hand. Ik moet diep de banken in voelen, want de meeste mensen gaan aan de raamzijde zitten. Aanraking met anderen is onvermijdelijk. Voor mij is aanraken normaal en goed, voor een ander niet. Chagrijnige reacties zijn dus niet uitgesloten. Niets van aantrekken. Boven staan. “Zit hier iemand?” vraag ik vriendelijk terwijl ik mijn hand uitsteek. Ik hoor niet of er wordt gereageerd. Ik voel een jas, een bovenarm. Ik loop verder. “U kunt daar zitten.”, zegt een stem. Maar het woord “daar” is net zoals het woord “hier” voor een bijna-blinde een onmogelijk te definiëren begrip. Waar is daar? Gekloot. “Nog één bank verder aan uw linkerhand.”, zegt een ander, slimmer, iemand. Daar kan ik wat mee. “Dank u wel!” roep ik in het luchtledige. Ik zit.

Nu NS Reisassistentie bellen, om door te geven waar ik zit. Zij communiceren dat vervolgens weer naar de uitstaphulp op het perron van aankomst. Geluksmoment. Mijn CI’s streamen mijn telefoon geweldig. Ondanks het geluid van de trein kan ik de persoon aan de andere kant van de lijn goed verstaan. “Ik zit ergens achterin,”, vertel ik hem, “maar ik weet niet precies waar, ik ben blind.” “Dat is geen probleem, mevrouw, ik neem even contact op met de hoofdconducteur in uw trein. Die zal me vertellen waar u precies zit. Het komt goed.” Even later word ik teruggebeld. “Het is in orde hoor. Ik heb contact gehad met de hoofdconducteur. Ik weet waar u zit en heb dat doorgegeven aan de uitstaphulp.” “Heel hartelijk dank,”, zeg ik, “dat is heel fijn.”

De NS app op mijn telefoon vertelt me dat ik op het beoogde station aan de rechterzijde dien uit te stappen. Een hele fijne toevoeging aan de app, want hoe moet ik dat anders weten? Ik zie door de raampjes het perron niet en moet dus gokken. 50% kans dat je als een gek op de knop van de verkeerde deur staat te drukken. Kost allemaal tijd. Gekloot. Maar dat stressmoment heb ik nu niet.

Gespannen wacht ik af of het automatische omroepsysteem in de trein het doet, zodat ik weet wanneer ik eruit moet. Want als die onverhoopt niet werkt, moet ik tussenstations gaan tellen. Geluksmoment. Het omroepsysteem doet het, en mijn CI’s maken het moeiteloos verstaanbaar.

Een half uur later schuift de treindeur piepend voor me open. “Mevrouw Schaap?” hoor ik gelijk aan de andere kant. “Ja!” lach ik. Ik pak een uitgestoken vrouwenhand. Geluksmoment. Ik moest me flink aanpassen aan de geldende norm van horen en zien. Maar ik heb het weer gered.