(On)begrensd 2 πŸ”ž

0
164
Paars blokje

De taxi stopt voor een hoog grachtenpand ergens in Amsterdam. De chauffeur stapt uit om mijn deur open te doen en leidt me naar de winkeldeur van een fotozaak. Een medewerker komt gelijk naar me toe als ik binnenkom. β€œIk kom voor Mark.” zeg ik zenuwachtig. β€œDie is achter.” antwoordt de medewerker. Hij brengt me naar een andere ruimte achterin de zaak. Een fotostudio, denk ik. Als ik in de ruimte sta, loopt hij weg en doet de deur achter zich dicht.

Het is stil. Mark zit een stukje verder op een stoel. Ik denk tenminste dat hij het is. Wie zou het anders moeten zijn? β€œHallo”, zeg ik, terwijl ik mijn zonnebril afzet en zijn richting uit kijk. Voor mij is hij niet meer dan een schim. Ik kan hem niet recht aankijken. En dat kan hij zien. Mark staat op en loopt naar de deur. Ik hoor dat hij hem achter me op slot draait. Daarna loopt hij terug naar zijn stoel en gaat weer zitten. Al die tijd zegt hij niets.

β€œVoor mij heeft deze ruimte geen grenzen,”, begin ik moedig, β€œgeen ramen, geen deuren, geen muren. Het zou een balzaal kunnen zijn, al hoor ik aan de akoestiek dat dat waarschijnlijk niet zo is. Ik weet niet tot hoever ik kan lopen, hoeveel passen naar rechts of links ik kan doen voordat ik de muur raak. Zienden zien altijd begrenzingen. Ik niet. Voor mij is de enige grens datgene wat ik letterlijk aanraak, wat ik voel. Op dit moment dus alleen de vloer onder mijn voeten. De rest is onbegrensd.” Ik weet niet precies waarom ik dit zeg. Ik besluit voor de rest maar mijn mond te houden en af te wachten. β€œDrie passen voor je staat een stoel. Kleed je uit. Doe daarna je hakken weer aan.” zegt hij rustig. Die heeft hij dus gezien. Ik loop naar voren, stoot tegen een houten stoel en doe wat hij zegt. Mijn kleren hang ik over de rugleuning. Ik ga op de stoel zitten om mijn hoge hakken weer vast te maken. Mijn vingers trillen. Ik heb moeite de bandjes door het gespje te krijgen. Als ik klaar ben, sta ik op en wacht.

Een tijd lang gebeurt er niets. Zit hij naar me te kijken? Ik weet het niet. Ik vind het heel ongemakkelijk. Het duurt langer dan ik zou willen. Dan pakt Mark ineens mijn linkerhand en leidt me naar een andere plek in de ruimte. De ondergrond is hier zachter, een soort mat? Tatami, wellicht. Zijn hand is warm en droog. Niet groot. Hij heeft een fijne motoriek. β€œZet je voeten wat uit elkaar en doe je handen op je rug.” Zwijgend doe ik wat hij wil. Gelukkig is het behaaglijk in de studio. Ik wil geen kippenvel op de foto’s, die later zullen worden gemaakt. Hij begint me te omwikkelen met het eerste touw. Er volgen er meer. Ze zitten strakker dan toen met Daan. Ze zullen straks ongetwijfeld nog een tijdje striemen achterlaten op mijn huid. De touwen vormen een soort harnas om mijn bovenlichaam heen. Terwijl Mark zo aan het werk is, staan we in nauw contact met elkaar. Hij is dichtbij. Na een tijdje gebiedt hij me op mijn zij te gaan liggen. Dat gaat wat moeizaam, maar het lukt. Hij gaat verder met het vastknopen van mijn benen. Mark werkt stil. Kalm en beheersd. Hij heeft een soort natuurlijk overwicht, dat hij niet hardhandig hoeft af te dwingen. Hij heeft een dusdanig vastberaden stem dat ik die gelijk gehoorzaam.

We hadden in onze mailwisseling afgesproken dat hij niets op of over mijn hoofd doet. Dat wil ik niet. Het is een harde grens van mij. Ik had me tijdens ons schrijven veilig gevoeld bij zijn zorgvuldigheid. Wel haalt hij nu de CI-processor van mijn oor, zonder aan het snoertje te trekken. Zodra hij de magnetische zendspoel van mijn haar haalt, ben ik aan één kant compleet doof. Dat weet hij. Hij doet hetzelfde met de andere. Ik hoor nu helemaal niets meer. Even streelt hij het implantaat dat hij door mijn hoofdhuid heen kan voelen. Het is de enige plek waar hij me zal strelen, zo zal later blijken. Ik vind het zo’n intiem gebaar dat het me hevig ontroert. Het ontspant me. Er gaat iets in mij open.

Zo lig ik een tijdje. Ik weet niet hoe lang. Zonder iets te kunnen zien, iets te kunnen horen, of iets te kunnen bewegen. Ik adem rustig en laag. Ik geef me over aan de touwen. Het lukt me om mijn lichaam steeds meer los te laten en me als het ware te laten dragen door de touwen. Ik sluit mijn ogen. Ik hoef zelf niets meer te doen. Het is goed zo. Ik hoef geen controle meer. Ik vertrouw hem. Ik kan alles laten gaan. Ik hoef me niet meer op een bepaalde manier te gedragen of plaatjes op te houden. Ik kan me compleet overgeven aan hem en aan het moment. Het is net alsof ik oplos en een ander soort bewustzijn in glijd. Een eeuwig en tijdloos bewustzijn. Ik ben vrij.

Dan voel ik ineens iets vloeibaars in mijn nek. Ik schrik ervan en verstar even. Wat is dat in godsnaam? Ik denk in eerste instantie aan lugubere of vieze dingen. Een druppel bloed? Sperma? Nee, daar is het te vloeibaar voor. Gewoon water dan? Maar waarom zou hij gewoon water in mijn nek druppelen? Dat zou nergens op slaan. Toch voel ik duidelijk weer een druppel in mijn nek vallen. Hij glijdt langzaam aan de voorkant naar beneden. Dan voel ik ook zijn adem. Lichte windvlaagjes tegen mijn hals. Zijn hoofd moet dichtbij de mijne zijn, boven de mijne hangen. Zijn linkerhand legt hij op mijn hoofd en laat hij op mijn implantaat rusten. Zijn rechter op mijn bovenarm. Ineens begrijp ik het. De intimiteit ervan beneemt me de adem. Het zijn zijn tranen. Hij huilt.