Mijn demon en ik

0
73
Lichtblauw blokje

Mijn docente zegt iets. Ze geeft een bepaalde aanwijzing over het strijken op de snaren. Ze brengt een kleine correctie in mijn spel aan, die ze mij laat voelen door mijn strijkstok samen met mij vast te houden en samen te strijken. De correctie resulteert erin dat alles daarna niet meer lekker klinkt als ik het weer alleen doe. Ze zegt nog dat dat normaal is. Dat een aanwijzing er vaak voor zorgt dat er daarna even chaos ontstaat. Het loopt dan bij iedereen in de soep. Dat is niet erg.

Haar stem sterft weg. Want ineens voel ik hem in me zitten. Ik voel hem ergens in mijn borstkas steken. Ik voel mijn demon. Hij is terug van nooit weggeweest. Hij had er al die tijd gewoon gezeten, ook al had ik net gedaan alsof hij er al lang niet meer was. Hij wachtte gewoon op een geschikt moment om zich weer te openbaren. Demonen zijn geduldige wezens.

“Je bent teleurgesteld om die correctie.” zegt hij smalend. “Je wil de beste zijn. Je wil jezelf bewijzen. Je wil laten zien dat, ook al is deze wereld niet voor jou ingericht, jij tóch recht hebt om te bestaan. “Want kijk maar naar wat ik kan. Ik kan cello spelen.” Dat wil je toch? Je dacht dat je bewijsdrang er niet meer was. Dat je drift en je ambitie er niet meer waren. Dat je vrij was van mij. Ouder en wijzer was geworden. Meer ervaren. Dat soort gelul. Maar ik ben er nog. En ik blijf ook nog wel even.”

Ik ben geschokt en vol afschuw. Even haat ik mezelf. Haat ik mijn drift, mijn drang. Ik wil het niet. Ik wil een sereen mens zijn. Vrij van dit soort demonen. Die mijn goede intenties teniet doen. De volgende ochtend vertel ik het onder het koffie drinken aan mijn man. “Hij zit er nog,”, zeg ik, “ik heb nog steeds die afschuwelijke bewijsdrang.” “Ik begrijp het wel,”, antwoordt mijn man, “jij verstaat anderen nu weliswaar veel beter met je CI’s, maar mensen nemen je nog steeds vaak niet écht serieus. Met je cellodocente gaat het gelukkig heel goed, maar anderen zien je als probleemgeval, als zielig schepsel, of als minder dan zijzelf. Ze overschrijden je grenzen en vinden dat normaal. Vervolgens krijg je nog een trap na als je je ertegen verzet. Dan krijg je toch vanzelf het gevoel dat je moet bewijzen dat je gewoon een capabel mens bent. Wees maar een beetje lief voor jezelf..”

Ik besluit een oude boeddhistische beoefening van stal te halen. Oorspronkelijk afkomstig van een vrouwelijke leraar uit een vrouwelijke traditie. In plaats van de demon weg te drukken en net te doen of hij niet bestaat. In plaats van zo min mogelijk te ondernemen zodat hij ook niet de kop kan opsteken. In plaats van hem te bestrijden of tegen te vechten. In plaats van weg te vluchten of onder te duiken. In plaats daarvan nodig ik mijn plaaggeest uit. Ik ga stil op mijn kussen zitten. Ik doe mijn ogen dicht en zoek hem op. Ik voel hoe hij in mijn lichaam huist. Hoe hij vecht om gezien te worden. Ik zet hem midden in de spotlight. Ik knip het licht aan. Hij ziet eruit als een stakerig vogelmens, blauw, met poten van een adelaar. Ik voel zijn aanwezigheid heel bewust, heel fysiek, en geef hem de ruimte. “Goed,”, zeg ik vriendelijk, “als jij er zo graag wil zijn, dan mag dat.” Vervolgens geef ik mezelf aan hem, als een offer. Dan gebeurt er iets bijzonders. Mijn demon blijkt over een fijne energie te beschikken. Hij verandert in iets zachts, in iets beschermends.

Sindsdien spelen we samen cello. Mijn bondgenoot en ik.