Amsterdam by night

0
106
Donkerblauw blokje

Amsterdam Centraal, begin van de avond. De wintertijd is ingegaan, dus het is al vroeg donker. Ik ben net de trein uitgestapt. De ruimte om me heen is zwart. Of niet zozeer zwart, want ik zie her en der lichten. Ik zie alleen de lichten zelf, niet hetgeen waar ze op schijnen. Ik heb er dus niets aan. Het is loze informatie. De informatie die er toe doet, waar ik iets mee kan, bevindt zich onder mijn voeten. De geleidelijn. Ik volg de ribbels met het rollende balletje onder mijn taststok. Het is lawaaiïg. Flarden van gesprekken. Harde klanken. Ik voel voorbij denderende machines in mijn buik. Geschreeuw. Delen van menselijke lichamen die de mijne raken. Soms wordt mijn taststok weggeschopt door haastige voeten die voor me langs glippen. Soms grijpt een hand als een klauw ineens mijn bovenarm of pols vast en trekt me een stukje mee. Dwars door mijn grenzen heen.

Een onbekende, immense ruimte om me heen. Niet te onderscheiden. Alleen dat kleine stukje onder mijn taststok. Alleen dat kleine stukje is even bekend. Wordt even voor me opgelicht als ik er overheen loop. Dat ene stukje is voor een tel orde in een verder chaotische wereld. Als een puzzelstukje. Ik leg puzzelstukjes aan elkaar.

Ik ben niet het probleem. De ruimte is het probleem.

Deze ruimte blijkt echter minder problematisch dan ik in eerste instantie dacht. Ondanks de enorme hoeveelheid chaos en prikkels om me heen. De geleidelijn ligt goed. De kruispunten zijn voelbaar en logisch. Het lukt me -na de nodige mobiliteitstraining- de fikse afstand te overbruggen tussen het perron en de taxistandplaats aan de IJzijde. Onderweg geven allerlei aanwijzingen in de ruimte mij informatie over waar ik mij bevind. De brailletekens op de trapleuningen. Het schuine loopgedeelte vóór de uitcheckpoortjes. De wind die langs me heen suist als ik de onzichtbare schuifdeuren door loop. Zelfs de onbetwistbare wietlucht, die aangeeft dat ik de uitgang nader. En dat ik daadwerkelijk in Amsterdam ben.

Dan ineens houdt de ruimte voor mij op. Met een grote rubbertegel wordt het einde van de wereld tastbaar aangegeven. Na die rubbertegel bevindt zich een uitgestrekt niets dat enkel bedoeld is voor specifieke lichamen. Niet voor mij. Bureaucratie gebiedt mij echter nog iets verder te lopen dan de rubbertegel. Die ligt namelijk bij de taxistandplaats waar enkel bepaalde Amsterdamse taxibedrijven mogen stoppen. Vergunninghouders. Niet de Valys taxi. Ik krijg op mijn donder als ik toch stug op die rubbertegel blijf staan wachten. Want de handhaver kijkt toe en deelt boetes uit aan iedere bestuurder die het waagt illegaal op die plek halt te houden. Zero tolerance beleid zonder menselijke maat. Woordenwisselingen tussen allerlei mannen, ruzies waar ik als stille getuige bij sta.

Ik stap de ontoegankelijke ruimte in. Volg de hobbelige stoeprand. Wurm me langs een dikke, stenen pilaar. Negeer de langsscheurende scooters die waarschijnlijk van het pontje komen. Tot mijn stok met een metalige klap de paal raakt die voor mij aangeeft dat ik op de juiste plek ben beland. Hier zal ik wachten op iemand die mij verder door de ontoegankelijke ruimte zal vervoeren.

Want ik ben niet het probleem. De ruimte is het probleem.

Ik hoor hoe een deur van een taxibusje wordt opengeschoven. “Mevrouw Schaap?” roept een mannenstem. “Ja, dat ben ik.” roep ik in het luchtledige terug. “Bent u hier vanaf de trein alléén naar toe komen lopen?’ vraagt hij ongelovig. “Ja.” antwoord ik. “Christus.” zegt hij. “Ik weet niet of Hij daar iets mee van doen had,”, glimlach ik, “maar het zou kunnen.” De chauffeur lacht en helpt me de bus in.