Baseball for the Blind (B4B) bij de Moorfielders in Ede

0
215
Paars blokje

In het kleine dorpsbibliotheekje had ik zo’n beetje elk boek in mijn leeftijdscategorie al geleend en gelezen. Sommige zelfs meerdere keren. Ik liep die namiddag langs de kasten, op zoek naar iets nieuws. Iets leuks dat ik nog niet eerder gezien had. Dat was lastig, want nieuwe boeken werden niet zo vaak aangeschaft. Tot ik in een kast met boeken, die eigenlijk niet voor mijn jonge leeftijd bestemd waren, een exemplaar vond dat mijn aandacht trok. Ik pakte het. Het ging over honkbal.
Ik was als kind een tomboy. Ik speelde het liefste met de jongens mee. Deed stoere dingen. Klom in bomen. Speelde graag met autootjes. Van mijn ouders had ik een crossfiets gekregen, blauw met geel, waarmee ik over braakliggende terreinen en andere verboden gebieden sjeesde. Ik bladerde door het boek. Het spel zag er ongelooflijk stoer uit. Die kleren ook. Daar zou ik me echt geweldig in voelen. Dan zou ik echt de blits maken. Ik las verschillende alinea’s en bekeek de foto’s en tekeningen aandachtig. Langzaam drong het tot me door dat honkbal niet voor mij weggelegd zou zijn. Dat ik blind zou worden, wist ik toen nog niet eens. Maar ik droeg wel hoorapparaatjes. Naast dat ik de andere spelers vast niet goed zou verstaan, zou het vooral te gevaarlijk zijn. Zo’n harde bal zou mijn hoorapparaten kunnen raken. Nee, dit zou ik nooit kunnen doen. Het was niet voor mij weggelegd. Het was uberhaupt helemaal niet voor mij bedoeld. Ik was niet zoals de mensen op de plaatjes. Honkbal was voor niet-gehandicapte mensen. Stil zette ik het boek terug. En besloot naar huis te gaan met een paar boeken die ik al gelezen had.

Even verwonder ik me erover hoeveel meer lef en zelfvertrouwen ik heb gekregen na de operaties van twee en drie jaar geleden en daarmee de komst van mijn twee Cochleaire Implantaten (CI’s). Het kunstmatige, maar sterk verbeterde gehoor heeft ervoor gezorgd dat ik ben gaan roeien bij Rowing Blind. Dat ik cello ben gaan spelen. En nu, nu sta ik hier. Op de thuisplaat van het honkbalveld van de Moorfielders in Ede. Ik doe mee met de allereerste proefles Baseball for the Blind (B4B). De voorzitter van de honkbalvereniging heeft me een paar weken geleden telefonisch ervan verzekerd dat door de aangepaste regels van het spel de kans nihil is dat ik een bal op mijn hoofd zal krijgen. En dat ik bovendien niet te oud ben. Dus was er niets dat mij nog tegenhield. Het genetische defect in mijn lichaam zorgt ervoor dat ik nagenoeg blind ben, dat ik doof ben, dat mijn beide evenwichtsorganen flink zijn beschadigd, evenals het vermogen tot goede slaap. Maar de Moorfielders maken het, met het formeren van hun allereerste blindenteam, mogelijk dat ik hier vanavond sta. Op een honkbalveld. Het is nauwelijks te geloven.


Het eerste dat me opvalt aan de trainers en vrijwilligers is hun bereidwilligheid, enthousiasme en hun motivatie. En dat die groter zijn dan hun angst voor het onbekende. Het zijn sportmensen, met een doel. En daar trekken ze mij als vanzelf in mee.
Ik leer het veld kennen. De honken maken ieder een eigen geluid, waarop ik me kan oriënteren. Het gravelpad dat alle honken verbindt, heeft aan beide zijden de grasranden van het veld als gidslijnen. Zolang ik dus niet over gras ren, is het goed. Mijn eerste indruk is positief. Ik kan de honken horen en hoor bovendien wáár ze liggen. (Het grote voordeel van twee CI’s hebben in plaats van één.) En ik kan me goed voorstellen dat ik op een gegeven moment gevoel zal krijgen voor de afstanden tussen de honken onderling. Ook het slaan van de bal valt me mee. De bal wordt niet naar me toe geworpen, maar houd ik zelf vast. Ik laat de bal vanaf borsthoogte los, recht naar beneden, op de onderhands zwaaiende knuppel in de andere hand. Zo mep ik aardig wat ballen tegen het hek. En voel bovendien precies waar ze heen gaan.
Het verdedigen (het fielden) lijkt me moeilijker. De bal bevat weliswaar een belletje en rinkelt. Ik hoor hem. Maar omdat het rinkelgeluid geen evenwichtige constante is, vind ik de richting ervan bepalen deze eerste keer best lastig. En ik kan me zo voorstellen dat ik in het veld het contact met de wereld om mij heen sneller verlies. Omdat ik daar wat minder aan mijn sterk ontwikkelde tastzin heb dan in de aanvallende positie. Dat vraagt aandacht en training. Vanaf een nulpunt opbouwen. Iets waarvoor ik sinds het oefenen op Nunio, mijn cello, niet bang meer ben. Trainen is te trainen. En het niet kunnen, kan altijd nog. Bovendien ben ik niet alleen. Ik heb geweldige mensen om me heen. En ook de regels in het veld zijn aangepast voor blinden en slechtzienden.

Na de proefles voel ik me heerlijk. De Moorfielders zorgen er met hun blindenteam voor dat ik uit mijn isolement van vergevorderde doofblindheid kan stappen. Dat ik mee kan doen. Dat ik kan honkballen. Toen ik dat boek terugzette in de kast van het dorpsbibliotheekje had ik dat nooit durven dromen.

Ben je blind of slechtziend en enthousiast geworden? Meld je dan vooral aan en doe met ons mee! Instromen kan altijd. Klik hier voor de website van de Moorfielders in Ede.