Dionysus
Het is jaren geleden. Ik ben net gescheiden en neem het ervan. Het is de tijd waarin ik mijn innerlijke Dionysus de vrije loop laat. Ofwel de tijd van extase, plezier, passie, dansen, chaos en overdaad. Van seksuele autonomie. Ik heb verschillende bedpartners, maar Daan is zonder twijfel de leukste. De knapste en de beste. Hij overtreft iedereen. Onze ontmoetingen bestaan uit louter twee dingen. Seks en eten. Onze favoriete bezigheden. Beide veel en beide goed.
”Ik heb trek.”, zeg ik, terwijl ik met mijn neus door zijn borsthaar wrijf. Seks maakt hongerig. “Ik ook.”, zegt Daan en pakt zijn telefoon.
Apollo
Het is niet zo lang geleden. Ik vind mezelf terug in een gebouw ergens op de Bible Belt. We krijgen een kopje koffie, met één gebakje. We doen eens gek en nemen er een toefje slagroom bij. Mijn innerlijke Apollo is al lange tijd de baas in mij. Te lang misschien. Orde, rede, normen en waarden… Ze zijn aan de orde van de dag. Rust, reinheid en regelmaat. Keurig en saai. Terwijl ik netjes mijn vorkje in de appeltaart prik, begint de mevrouw naast me te praten over een open dag in woonzorgcentrum Het Schild in Wolfheze. “Wat interessant,”, zeg ik, “wat heeft u zoal gedaan die dag?”
Dionysus
Mijn voordeurbel gaat. Daan stapt van het bed en knoopt vlug een handdoek om zijn brede onderlijf. Ik hoor hoe hij de deur opendoet, iets aanneemt en de bezorger bedankt. Terug in de slaapkamer heeft hij in zijn ene hand een grote kartonnen doos. Met zijn andere hand trekt hij de handdoek van zijn middel en laat hem op de grond glijden. God, wat een lijf. Ik hoor altijd En Vogue samen met Salt-N-Pepa zingen als hij bij me is.
Apollo
Het is ergens in het nabije heden. Ik vind mezelf terug in een sporthal in Schiedam. Ik sta braaf en klein gemaakt in een rijtje af te wachten wat de ziende witte man tegenover ons van me wil. Hij deelt twee teams in. Mijn naam noemt hij niet. Hij negeert me, keert me de rug toe en loopt weg. Ik zucht en ga aan de kant staan. Het hele roteind voor niets hierheen gereden. Ik zeg niets. Ik houd mijn fatsoen, maar besluit in de toekomst niet nog een keer zo gedienstig te zijn aan de niet-gehandicapte blik en dit niet nog een keer zo te ondergaan. En ondertussen denk ik aan leukere tijden.
Dionysus
Daan klimt weer op bed, doet de doos open en begint me fantastische tapas te voeren. Ik eet gulzig als een diertje. Als hij er wat spa rood uit een blikje achteraan giet, gaat het mis. Ik moet lachen en alles druipt langs mijn hals, richting mijn borsten. Daan lacht ook en buigt zich voorover om het op te likken.
Apollo, of toch…?
Het is nu. Ik zit in Kaneel & Kruimels, het hipste café van ons dorp. Tegenover me zit F. We hebben zo een vergadering met lokale bestuurders en andere Belangrijke Mensen. Maar eerst lunchen we samen. Ik heb een sjiek vrouwelijk, zakelijk pak aan. Mijn wandelschoenen heb ik net verruild voor niet al te hoge hakken. Ik doe me tegoed aan een warme, Italiaanse bol met zalm en een hoop roerei. Ik doe geen moeite er bestek bij te gebruiken. Ik eet als een diertje. Het is heerlijk. Het ei-mengsel druipt over mijn handen. Ik sluit mijn ogen en lik het eraf. Mijn tafelgenoot ziet het toch niet. Hij is blind. Misschien hoort hij het wel, maar het kan me niet schelen. Ik gun mezelf dit kleine, stiekeme genot.
“Volgens mij houd jij ook wel van eten.” zegt F. dan ineens. Ik licht even op en glimlach. “Klopt F.,”, antwoord ik hem, terwijl ik naar een servetje tast,“ik houd héél erg van goed eten.”

