Het is een mooie zomeravond in 2017. Mijn partner en ik zitten buiten op het terras lekker te lezen. Ineens voel ik dat het tijd is. Alles wijst erop. Dit is het juiste moment, de juiste plaats. Ik vraag mijn vriend of hij de tuinhaard aan wil maken. “Natuurlijk, meisje.” zegt hij en verdwijnt achter de garage om een paar houtblokken te halen.
Zelf loop ik ondertussen de trap op naar boven. In mijn kamer pak ik de plastic Curver kist, die daar al een tijd geduldig staat te wachten. Ik neem hem mee naar beneden. Ik schuif mijn tuinstoel wat dichter bij de haard, een voormalige gastank van stevig, dik, zwart staal met aan de voorkant een opengesneden gat en een evenzo solide, lange schoorsteen erop. De kist zet ik naast me neer. Mijn partner is in de weer met berkenbast en kleine stukjes hout. Hij steekt ze aan en wappert met een krant. Het vuur slaat aan.
Ik haal de deksel van de half doorzichtige kist. Mijn vriend loopt naar de keuken en komt even later terug om me een glas whisky te brengen. Ik drink amper alcohol, maar hij heeft goed aangevoeld dat dit een passend moment is. Dan verdwijnt hij om binnen een film te gaan kijken.
Ik haal het eerste item uit de kist. Het is mijn zelfgenaaide rakusu, met de dikke, houten ring. Hij zit in de stoffen envelop die mijn moeder voor me genaaid heeft. Ik houd hem even tegen mijn voorhoofd en gooi hem dan het vuur in. Eén voor één volgen de andere spullen uit de kist. De documenten die ik tijdens mijn jukai kreeg, in mooi gevouwen, Japans papier. De twee witte onderkimono’s, het touw voor om mijn middel, de monnikspij met de brede, onhandelbare mouwen. Alles houd ik even tegen mijn voorhoofd gedrukt voordat het in het vuur verdwijnt. Als laatste de kesa, waar ik tientallen uren aan heb gewerkt. Het vuur laait op. Hoge, gulzig likkende vlammen.
Ik neem een slokje van mijn whisky. Een paar uur lang zit ik daar en kijk ik stil toe hoe het vuur alles tot as laat wederkeren. Niet alleen in de haard. Ook in mij wordt er iets schoon gebrand.
Het begint te schemeren. Ik hoor een merel zijn uitbundige avondlied zingen. De bladeren van de oude eik achter in de tuin ruisen zacht. Dat heerlijke inzicht, dat het leven gewoon doorgaat, dat ik gewoon doorga. Dat wat in het vuur is geworpen, was slechts een identiteit. Het is niet wie ik ben. Ik ben er nog gewoon. Ik haal adem. Ik leef. Alles gaat door. Er is niets aan de hand.
Die nacht slaap ik als een roos. De volgende ochtend haal ik wat as uit de haard en strooi het uit over de moestuinbedden. Vruchtbare aarde, waar de slaplantjes en stokbonen dankbaar op zullen groeien.

