Aangeraakt

0
267
Donkerblauw blokje

In het online Ushersyndroom café, bedoeld voor mensen die zowel doof als blind worden, praten ze over zaklampen. Over dingen zo goed mogelijk kunnen blijven zien. Ik voel me een buitenstaander, want ik doe al lang niet meer aan zaklampen. Of wat voor lampen dan ook. Ik ben die grens jaren geleden gepasseerd. Dat is organisch gegaan. Zien en horen zijn langzaam naar achteren verschoven. Tast is daarvoor in de plaats gekomen. Tast zegt mij alles. Aanraken en aangeraakt worden. Dat is leven voor mij. De aanraking verbindt. Met de zon, met de tomatenplanten, met de mensen.
Mijn Cochleaire Implantaat (CI) is prachtig natuurlijk. Het hoorhulpmiddel geeft de mogelijkheid tot communicatie. Met mens en machine. Dat is iets om ontzagwekkend dankbaar voor te zijn. Maar CI’s zijn voor mij louter dat; een communicatiemiddel. Ze verbinden me niet met de ander en het andere, niet op dezelfde manier als tast dat doet.

Sinds mijn moeder gevaccineerd is, voel ik haar hand weer in de mijne. Een oude hand, met een los, rimpelig velletje. Met woorden had ze me even daarvoor verteld dat ze maagkanker heeft. We houden elkaar vast. Haar aanraking vertelt zijn eigen verhaal. In de stilte van onze handen wordt veel gezegd. “Ik ga misschien wel dood”, zegt haar hand. “Ik weet het, mama.” “Hou je van mij, mijn kind?” “Ja, mama, ik hou van je.” “Vergeef je mij, mijn kind?” “Ja mama, ik vergeef je.”

De man die me vaccineert, heeft een hand vol zelfvertrouwen. Ik voel hem drie keer trefzeker in mijn bovenarm knijpen, steeds een stukje hoger. Er zit geen twijfel in zijn aanraking. De spuit zelf voel ik amper, wel zijn vingers op mijn huid er omheen. Ik voel in zijn vingers dat het meer is dan automatische piloot. Ik voel dat hij het fijn vindt me dit te geven, dat hij bij kan dragen. Ik voel menselijkheid. En ik voel het verlangen van alle mensen die door hem zijn aangeraakt, of dat nog zullen worden.

De lieve hand van mijn chirurg in de mijne. Het is de hand die in mij gaat snijden, en mij gaat voorzien van mijn tweede CI. Een vaste en tegelijkertijd zachte hand. Voorzien van een dun vlieslaagje crème dat ik kan ruiken. Geuren vertellen ook zoveel. Meer dan zien, meer dan horen. Ik houd zijn hand stevig vast. Ik wil hem liever niet loslaten, want ik ben bang. Niet voor wat die hand gaat doen. Maar voor al die andere handen op de OK, die in veel te korte tijd veel te veel aan me zitten. Zo intens, zoveel impact. En me dan ineens loslaten op het moment dat ik wél aangeraakt zou willen worden. Zodat ik eenzaam als een astronaut in een zwart, stil vacuüm mijn bewustzijn verlies. Van God en alles verlaten. In het Niets duurt elke seconde een eeuwigheid.
De zachte, vaste hand van mijn chirurg legt me in de handen van de anesthesist en draagt hem op mij vast te houden. Ik voel beide, warme handen van de anesthesist op mijn linkerarm rusten, terwijl hij zelf tegen me praat. Maar zijn woorden doen er niet toe. Zijn aanraking is wat telt. De assistent staat aan de andere kant van de operatietafel en heeft zijn linkerhand op mijn rechterschouder gelegd. Vlak voordat ik wegglijd, voel ik het rustpunt in mezelf weer. En dan weet ik het. Het komt goed.

Deze column is tevens verschenen in het audiomagazine Moet je horen! editie 9, jaargang 21. Te beluisteren via Bibliotheekservice Passend Lezen.