Nachtkijker

0
157
Lichtblauw blokje

Op de top van de heuvel sta ik op de bus te wachten. Ik kijk uit over een prachtig, glooiend landschap. Tegen één van de andere heuvels is een stad gebouwd. De bouwstijl is onmiskenbaar Italiaans, met typisch lichtbruin pleisterwerk en iets donkerder bruine dakpannetjes. De huizen zijn gesitueerd rondom een schitterende, grote kathedraal. Alles ademt de sfeer van eeuwenoude schoonheid.
Ik kijk naar de andere mensen die op de bus wachten. Een paar oude mannen zitten op een bankje. Ik zie de rimpels op hun gezicht, de verhalen rondom hun monden en ogen. De bus arriveert en ik zie achterin een lege plek, waar ik ga zitten. Onderweg kijk ik uit het raam. Hoge, donkergroene cipressen langs statige oprijlanen glijden voorbij. Uitgestrekte velden vol grijsgroene olijfbomen. Rozerode bougainville in verwilderde tuinen, witte jasmijn over verroeste smeedijzeren hekwerken. Ik voel me onzeker, want ik weet eigenlijk niet zo goed waar ik heen ga, laat staan waar ik eruit moet.

’s Ochtends zet mijn man een kopje Illy koffie voor me neer op de eettafel. De heerlijke geur van gebrande koffiebonen dringt mijn neus binnen. Ik kijk naar mijn echtgenoot, die inmiddels tegenover me is gaan zitten. Ik zie niet veel anders dan een vaag silhouet. Zijn gezicht is een vlek, zijn blauwe ogen voor mij onzichtbaar geworden. Ik vertel hem over mijn Italiaanse avontuur in de nacht. Over hoe helder gekleurd en gedetailleerd mijn droom was. Beelden die ik in mijn wakkere leven al lang niet meer zo goed kan zien. Maar in mijn dromen moeiteloos tevoorschijn komen.

Een paar nachten geleden had ik door het oude Hoog Catharijne in Utrecht gefietst. Solo, op mijn oude, vertrouwde mountainbike. De oranje letters GIANT spatten ven het turquoise frame. Stuiterend was ik de trap af gesjeesd, door de automatische schuifdeuren het Vredenburgplein op. Behendig scheerde ik langs de marktkooplui, die bezig waren hun kramen op te zetten. Duiven vlogen mopperend op. Het was nog vroeg, de frisse ochtendlucht tintelde op mijn gezicht. Een overdadig gevoel van geluk had ik bij me gedragen. De vrouw en haar fiets.

Inmiddels ben ik er niet meer verdrietig over. Dat als ik eenmaal ’s ochtends mijn ogen opendoe, alles grijs en vaag is. In plaats daarvan verwonder ik me elke keer weer over mijn zo beeldende dromen. Ik probeer er gewoon van te genieten. Dat er ergens nog steeds zo’n magische plek is. Een plek vol overvloed, waar alles mogelijk is, en ik de wereld om me heen probleemloos kan aanschouwen.