Oeverloos, zwemmen bij Batavia Swim in Lelystad

0
236
Paars blokje

Het zit me al niet lekker dat de zwemvereniging is vernoemd naar de voormalige, koloniale naam van een stad in Indonesië. Wie doet dat nog tegenwoordig? Maar goed. De zwemvereniging staat op de lijst van inclusieve en toegankelijke sportverenigingen, die is samengesteld door Gehandicaptensport Nederland. Bovendien is ze me per e-mail aangeraden door een medewerkster van diezelfde bond. Dus mail ik de zwemvereniging en volgt er een mailwisseling waarin ik netjes uitleg wat mijn beperkingen zijn, wat ik aan hulpmiddelen gebruik en wat ik precies nodig heb. En, schrijf ik erbij, het is niet de bedoeling dat mijn man mij gaat begeleiden. Ik zal namelijk ook alleen moeten kunnen komen. Het is allemaal duidelijk, en geen probleem. Ik ben van harte welkom.

Tien minuten voor aanvang van de zwemtraining meld ik mij bij de receptie van het zwembad. Zodat ik nog even kan overleggen met de trainer. Al gauw merk ik dat dat niet de bedoeling is. De vrouw achter de balie, die ongetwijfeld mijn zonnebril en taststok ziet, zegt dat ik veel te vroeg ben. De trainer is er nog niet. “Ga daar maar even zitten.”, zegt ze. “Waar is daar?”, vraag ik. “Op die stoeltjes daar.” Omdat mijn man nog naast me staat, leidt hij me naar een stoeltje.

Tien minuten later komt de trainer binnen. Hij praat tegen me, vermoedelijk op een aantal meter afstand. “Ik versta u zo niet”, zeg ik hem terwijl ik opsta om dichter naar hem toe te gaan. Zodat ik hem beter zal kunnen verstaan en zodat hij mij verder zal kunnen begeleiden. “Dat geeft niet”, zegt hij en weg is-ie.

De situatie ontglipt me onmiddellijk. Waar is hij nu? Wat moet ik doen? Kan ik gewoon praten? Moet ik hard roepen? Hoe groot is de afstand russen hem en mij inmiddels? Waar ben ik? Hoe groot is deze ruimte? Waar is hij heen gegaan? Wat moet ik doen? Is dit een lobby? Is er een gang? Moet ik roepen? Is dat raar?

Mijn man, die zelf al naar de uitgang aan het lopen was, komt terug en pakt mijn hand vast. Samen rennen we op een sukkeldrafje achter de trainer aan. Door allerlei gangen, hier is dit, daar is dat, ik zie niets dan wit, dat zijn kleedkamers, net als deze hier, ik hoor niets dan galm, even kijken, je kunt hier niet, dus dan maar daar, deur open, deur dicht, doorlopen, andere deur, wit, deur open, galm, ja, hier kun je je omkleden, ik zie je zo wel weer. Bam. Deur dicht.

“Wat was dat?” vraag ik onthutst aan mijn man. “Geen idee.” zegt mijn eveneens verbouwereerde echtgenoot. Onwillig en twijfelend of ik hier wel mee verder moet gaan, kleed ik me om. Mijn CI’s netjes in aquakits om mijn armen. Mijn nieuwe badpak aan. Ik ben blij dat ik veilig voor pijpjes heb gekozen. Dat ik zo een beetje geborgen ben.

Opnieuw een race door ruimtes. Wit. Galm. Temperatuurwisseling. Warmer nu. Deur open. Deur dicht. Hier is meneer X. Hallo. De eerste trainer verdwijnt. Waar is hij heen? Ga maar in het water, zegt X. Waar is het water? vraag ik. Daar. Ja maar, hoe ligt het zwembad dan, ten opzichte van mij? Ik zie niets. Gewoon zo. Meneer X gebaart wat. Denk ik. Daar is het trappetje. Ga daar maar heen. Dat zie ik niet. Ik pak de arm van meneer X. Hij was niet van plan geweest mij te begeleiden. Ik voel het in zijn bewegingen.

Het water is koud. Waar moet ik heen zwemmen? Daarheen. Waar is dat dan? Ik zie het niet. Ja gewoon, met die lijnen daar mee. Zijn er meer mensen? Bots ik zo tegen iemand aan? Hoe lang is de baan? Hoe lang tot mijn handen de overkant raken? Gaat dat pijn doen? Hoe voorkom ik dat? Meneer X praat ergens anders verder. Te ver weg. Ik versta hem niet. Koud. Ik versta u niet. Ben je doof ofzo? Ja, dat heb ik verteld.

Meneer X verdwijnt. Mijn man neemt het vlug over. Praat rustig en verstaanbaar. Dichterbij. Ik probeer een paar baantjes. Heen en weer. Alles is water. Geen houvast. Eng. Koud. Meneer X verschijnt weer. Geeft een kunststof plankje. Die moet ik vasthouden onder het zwemmen. Hou maar vast. Maar dat wil ik niet. Dan kan ik niet meer tasten. Maakt niet uit. Gewoon vasthouden en zwemmen. Daarheen. X verdwijnt.

Dan ben ik het zat. Ik flikker het plankje met een grote zwaai de vermoedelijke kant op. Tast naar het trappetje, klim omhoog en loop samen met mijn inmiddels boze man het zwembad uit.

Als ik later mijn beklag doe per e-mail, willen de mannen van de koloniale zwemvereniging een gesprek aangaan met mij en de medewerkster van Gehandicaptensport Nederland. Excuses maken ze niet. Ik denk terug aan al die keren dat ik als kind de hand van mijn moeder vasthield, terwijl zij het gesprek aanging. Aan de tientallen keren dat ik als volwassene het gesprek aanging. Telkens weer opnieuw. Oeverloos het gesprek aangaan. Terwijl ik daaraan denk, word ik ineens zo ontzettend moe. Dat ik dat überhaupt steeds opnieuw moet doen, het gesprek aangaan over dingen die voor anderen zó vanzelfsprekend zijn dat zij er niet eens over hóeven te praten, is zo slopend. Temeer omdat zo’n gesprek in het grotere geheel niet veel uitmaakt. Ik blijf ontoegankelijkheid en vernedering tegenkomen. Daarom besluit ik het deze keer niet te doen. Dit gesprek sla ik over. Ik hóef het niet te doen. Ik hóef niet steeds klaar te staan om de mij zo bekende riedeltjes aan te horen. De verdedigingen, de “goede bedoelingen”.. Ik hóef het ongemak van de ander niet weg te nemen. En ik hoef ook niet bereid te zijn om elke keer als een volgzaam lammetje oplossingen op een presenteerblaadje aan te reiken. Enkel omdat men er vanuit gaat dat ik dat als gehandicapt persoon wel zal doen. Ik ben er echter niet toe verplicht. Daarom schrijf ik de mannen van de zwemvereniging dat ik het gesprek niet aanga en verwijs ze door naar organisaties die zullen helpen met toegankelijkheid.

De medewerkster van Gehandicaptensport Nederland, die mij de zwemvereniging heeft aanbevolen, ontvangt de e-mails ook, maar zwijgt in alle talen. Van haar hoor ik niets meer.