Ik loop op mijn sokken over de houten vlondertegels. Het is fris, maar minder koud dan ik had verwacht. Het hout voelt warmer dan de wind. In de rechthoekige terracotta schaal staan drie basilicumplantjes keurig op een rij. Ik haal mijn vingers er doorheen en snuffel eraan. Ze ruiken naar buffelmozzarella en rijpe tomaten. Ze zijn al flink gegroeid, maar vooral in de hoogte. Naar elkaar toe groeien willen ze vooralsnog niet. Ze blijven eenzelvig gescheiden door vochtige, zwarte aarde.
Binnen staat mijn man bananenpannenkoeken te bakken. Niet met plakjes banaan, maar gepureerd door het beslag heen. Hij zingt er een niet bestaande aria bij. Ik hoor het door de openstaande balkondeur. Hij snijdt wat aardbeien in plakjes en legt ze op mijn lievelingsbordje. De ahornsiroop staat al op de gedekte ontbijttafel.
De oregano plantjes in de blauwe geemailleerde pot zijn wel een geheel geworden. Maar de Marokkaanse muntplant die ernaast staat spant de kroon. Die viert het leven glorieus, groots en meeslepend. Hij dijt en bulkt, golft over de pot heen. Ik knip een paar van de langste steeltjes eraf, was ze binnen onder de grote, zwarte keukenkraan en steek ze ondersteboven in een theeglas. Ik zet het glas onder het espressoapparaat en vraag aan Google of ik heet water mag. Google vindt het prima.
Gisteren was ik de nieuwe buurman buiten tegengekomen. Onder de lindebomen, die ineens vol in het blad staan. Was dat in één nacht gebeurd? Hij speelt saxofoon, ik hoor hem af en toe oefenen als ik terugkom van een wandelingetje. Toonladders waaieren dan door het gebladerte. Zijn handdruk is stevig en uitnodigend. We babbelen wat over muziekinstrumenten. Buurman vertelt dat hij vroeger ook cello speelde. Ik versta niet helemaal waarom hij daarmee is gestopt. Maar het gesprekje inspireert me zodanig dat ik binnen gelijk naar Nunio toe loop. Ik wrijf hem op met zijn eigen doekje. Hars de witte paardenharen op de strijkstok. Ik ga zitten en leg Nunio’s houten huid tegen mijn kloppende hart. Voor het eerst sinds mijn moeders dood, nu bijna een jaar geleden, klinkt er voorzichtig weer een liedje in de kleedkamer. Haar liedje. Het liedje waarmee ik was geëindigd. Ik hoef er niet bij na te denken. Mijn vingers weten het nog.

