De taxichauffeur 2

0
17
Lichtblauw blokje

“Heeft u er bezwaar tegen als ik wat Braziliaanse muziek opzet, mevrouw Schaap?”
”Nee hoor.”
”Kunt u Portugees, mevrouw Schaap?”
De sfeer in de taxi wordt heel onaangenaam. Ik voel het. En ik hoor het in zijn stem. Hij wil macht afdwingen door mijn achternaam zo nadrukkelijk te herhalen. Hij wil me kleiner maken dan hemzelf en me ergens heen krijgen. Ik ken die viezige toon. Een toon die zomaar kan omslaan in iets heel vervelends.
”Dat zit niet in mijn repertoire, nee.”
“Ze zingen dat God heel veel van ons houdt, mevrouw Schaap.”
“Ah, kijk aan.”
Dat is het dus. Ik ben gelijk op mijn hoede. Want als iemand op zo’n manier over God begint, heeft dat vaak nog een heel lang en drammerig vervolg. Het einde is dan nog lang niet in zicht. Ik ken dit soort gluiperige, machtswellustige, vieze mannetjes. Ik verdenk ze er altijd van dat ze achter gesloten deuren hun vrouw slaan. Of met kleine jongetjes achter de kansel… nou ja, dat soort praktijken. Mannetjes die opgewonden raken van jouw angst. Ik besluit het spel half mee te spelen. Hem een beetje te voeren. Want er tegenin gaan, of zeggen dat het impertinent is wat hij doet, maakt hem alleen maar nog onaangenamer. En ik zit opgesloten in een rijdende taxi. Een reli-taxi. En hij zit achter het stuur. Hij bepaalt waar we heen gaan. Ik kan er niet uit. Ik kan geen kant op.
”En dat is natuurlijk zo, mevrouw Schaap.”
”Zeker.”
“Hij houdt ook heel veel van u, mevrouw Schaap.”
“Ik weet het.”
“God heeft een groot plan voor u, mevrouw Schaap.”
”Ik weet het.”
Maar wat het exacte plan van deze man is, weet ik niet. Met mijn rechterhand speel ik in mijn jaszak met het klepje van de pepperspray, die mijn man voor me heeft gekocht na mijn ontmoeting met een wolf. Het is een handig busje. Je kunt onmiddellijk voelen wat de voorkant is. Mijn duim past maar op één manier op de drukknop. Met mijn linkerhand aai ik de kop van mijn hond, die voor mijn stoel ligt.
“Is dat een echte trouwring om uw vinger, mevrouw Schaap?”
”Ja, hij komt niet van de kermis, nee.”
”Bent u ook voor de kerk getrouwd, mevrouw Schaap?”
”Nee.”
”Waarom niet, mevrouw Schaap?”
“Dat vonden we niet nodig.”
”Gaat u niet naar de kerk, mevrouw Schaap?”
”Nee.”
”Waarom niet, mevrouw Schaap?”
”Omdat mijn relatie met God persoonlijk en privé is.”
Dat brengt hem van zijn stuk. Die had hij niet aan zien komen. Even is hij stil. Dan herstelt hij zich en gaat verder.
”Wat houdt dat precies in, mevrouw Schaap?”
”Dat ik niet naar de kerk hoef.”
”Leest u wel de Bijbel, mevrouw Schaap?”
”Ik heb de Bijbel gelezen, ja. Zowel het Oude als het Nieuwe Testament.”
”En uw man, leest hij de Bijbel ook, mevrouw Schaap?”
”Dat moet u maar aan mijn man vragen. Ik spreek niet voor hem.”
De taxi stopt.
We zijn er.
De juiste plek.
Godzijdank.