Na het laatste college ben ik blij en uitgelaten. Niet omdat de collegeserie “Grip op de wereld in 8 boeken” is afgelopen, maar omdat ik de vreugde erover door mijn aderen voel stromen. Ik heb er zo intens van genoten. Wat fantastisch dat ik HOVO, Hoger Onderwijs Voor Ouderen, heb gevonden. De intellectuele verrijking waar ik zo aan toe was, zonder de druk van moeten presteren in tentamens of in het moeten halen van diploma’s. En in het najaar staat er weer een nieuwe, inspirerende collegeserie op me te wachten. In Amersfoort dit keer, dat voor mij dichterbij is en waarbij het ov waarschijnlijk wat rustiger zal zijn.
De eerste les was me niet meegevallen. Ik zat als enige op de eerste rij, terwijl de anderen voor mijn gevoel ver achter me zaten. Ze waren gezellig met elkaar aan het praten in een voor mij totaal onbekende ruimte. Het was een grote collegezaal. Ik kon de docent niet aanspreken, omdat ik niet kon horen of zien wie het was en of hij er überhaupt al was. Tijdens het voorstelrondje reageerden de deelnemers leuk op elkaars verhaaltjes, maar toen ik aan de beurt was en een vrolijk praatje hield, bleef het ijzingwekkend stil. Ik hoorde de oorverdovende stilte door mijn woorden heen. Het werd weer eens pijnlijk duidelijk dat ik de Ander was. Een doofblinde alien die het domein van de horenden/zienden had betreden.
Na dat eerste college vroeg ik of iemand me even naar de uitgang wilde brengen. Me oriënteren in zo’n groot universiteitsgebouw gaat me niet makkelijk af. De mevrouw die me begeleidde, bleef haar oordelen en twijfels maar op me afvuren. Of zo’n reis niet veel te lastig voor me was. Of de bus die ik moest hebben wel regelmatig ging. Of het allemaal niet veel te moeilijk voor me was. Ze wilde me persé naar een andere uitgang brengen dan degene die ik zelf wilde, want die zou veel makkelijker voor me zijn. Iets dat natuurlijk niet zo is, want die uitgang kende ik niet en ik zou dan gelijk de weg kwijt zijn. Bovendien had de uitgang die ik zelf als autonoom, volwassen persoon wilde een brede groenstrook waar ik even rustig mijn hond kon uitlaten. Een flink heen en weer lopen volgde, dat me volledig desoriënteerde. Eenmaal bij de juiste uitgang wilde ze niet weggaan. Redde ik het wel zo? Is dit niet veel te moeilijk voor jou? Red je het wel dan? Kom, ik breng je naar de bus. Dit is veel te moeilijk voor iemand zoals jij. Klauwhand in mijn bovenarm. Trekken. Niet doen, alstublieft. Red je het wel dan? Weet je het zeker? Ik ga je gewoon even naar de halte brengen. Red je het wel dan? Ze luisterde niet naar mijn antwoorden en ze respecteren deed ze al helemaal niet. Dus zei ik dag, liet haar achter en liep weg zonder nog een antwoord af te wachten. Stik erin, mens. Met je goede bedoelingen.
De volgende ochtend onder het koffiemomentje met mijn man moest ik huilen. Het was me niet meegevallen hoe de andere deelnemers op me hadden gereageerd. Of niet hadden gereageerd. Maar ik besloot door te zetten, want het college zelf had ik heerlijk gevonden. Bovendien had ik het dankzij mijn CI’s en mijn Roger microfoontje kunnen verstaan. En dat liet ik me toch niet afnemen.
In de Psychology Today las ik een zeer goed artikel, dat exact dit probleem behandelt en uitlegt: “How to (and How Not to) Help People Who Are Blind” Een dikke aanrader voor iedereen die ooit een blind persoon heeft ontmoet, of dat nog zal doen.
Na de tweede les besloot ik op de docent te wachten. Hij moest, zo bleek, dezelfde uitgang hebben als ik. Onder het lopen praatten we enthousiast over het college en over boeken. We bleven op de parkeerplaats zelfs nog even staan napraten. Daarna namen we vrolijk afscheid en gingen we ieder ons eigen weegs. Dat beviel me stukken beter, dus de rest van de collegeserie zijn we het zo blijven doen. En ook de deelnemers ontdooiden na verloop van tijd. Gewenning deed zijn werk.
Straks in het najaar een nieuwe collegeserie. Met nieuwe mensen en wellicht weer even die ijzige stilte tussen mijn eerste woorden. Maar de docent en ik kennen elkaar in ieder geval al.
“Ik wil wel dat jij er weer bij bent hoor, Marloes.” “Ik zal er zijn, Peter.”

