Hulp of geen hulp

0
369
Paars blokje

“Kan ik je helpen?” klinkt een vrouwenstem uit het niets. Shit. Nu ben ik uit mijn concentratie gehaald en ben ik de tel kwijt. En daarmee mijn volledige oriëntatie. En bedankt. “Nee, dank u,”, glimlach ik, “kan ik ú helpen?” Ze lacht verbaasd. “Nee hoor.” “Goed zo,” antwoord ik haar, “dan zijn we beide hulpeloos.” We lachen even om mijn woordgrapje.

Omdat ik nu geen houvast meer heb aan het aantal stappen dat ik reeds gezet had met mijn linkerbeen -ik weet immers niet meer hoeveel dat er waren- moet ik extra voorzichtig zijn. Ik sta op het plateau voor perron 2, 3 en 4 van station Utrecht Centraal en ben op weg naar de trap die naar de stationshal leidt. De geleidelijn zal zometeen een afslag naar rechts aangeven, gemiddeld 14 stappen met het linkerbeen vanaf het begin van deze lijn, en die afslag zal rechtstreeks naar de trap gaan. Maar als ik die afslag mis, loop ik recht op de afgrond van perron 1 af. En dat wil je niet. Nooit. Zeker niet als precies op het moment dat jij erin valt, de intercity aan komt denderen. Heel langzaam lopen dus. Extra breed uitzwaaien met mijn taststok. Goed het balletje voelen dat onderaan de stok zit en dat contact maakt met de grond. Met stappen tellen was het zoveel makkelijker geweest. Ribbels, ribbels, mijn koninkrijk voor ribbeltegels. Ah, daar-is-ie. Ik neem de afslag en loop recht op de trap af. “Waar moet je heen?” klinkt een mannenstem uit het niets. “Dat vertel ik u niet,”, zeg ik tegen de stem in het duister, “dat vind ik privé.” Ik loop verder, hopende dat dat afdoende was en hij me verder met rust laat. Mijn taststok stoot tegen de eerste trede van de stenen trap. Mooi. Met mijn linkerhand reik ik naar de railing. Ik voel even bewust de brailletekens op de leuning. De brailletekens geven aan dat de trap naar de uitgang leidt. Ik voel ze niet omdat het moet. Ik weet al waar ik heen ga. Maar omdat ze er zijn. Ze zijn er. Voor mij. Voor de mijnen. Opdat wij weten. Ik neem de trap omhoog. Ik ben ruim op tijd voor mijn afspraak, dus besluit ik bij Julia’s zo’n lekkere rozijnenkoek met citroen te gaan kopen. Ik sla, in de stationshal aangekomen, daarom op het eerste geleidelijnen-kruispunt rechtsaf. Onderweg naar Julia’s word ik nog drie keer aangesproken. Of ik hulp nodig heb. Waar ik heen ga. Of ik het wel red zo. En drie keer word ik getutoyeerd.

Ik vind het niet altijd prettig dat ik zo vaak word aangehouden en opgehouden. Sterker nog, ik kan het vervelend vinden. Het haalt me uit mijn concentratie en ik verlies daardoor niet zelden mijn oriëntatie. En het kost telkens tijd. Daarnaast geeft het me het gevoel dat ik op zo’n moment vooral de ander aan het dienen ben, de ziende persoon een plezier moet doen. Niet mezelf. Van mij hoeft het niet. Tenzij ik er zelf om vraag.

Als ik op een ander moment in gesprekken met zienden ter sprake breng dat ik het vervelend vind om steeds aangehouden te worden, worden mijn gevoelens meestal al snel monddood gemaakt met het argument “dat het toch heel fijn is dat mensen me willen helpen”. Ofwel, ik zou juist dankbaar moeten zijn voor de goedheid van de ziende mensen. En zo staat zo’n gesprek al gauw weer in dienst van de ziende mens. En krijg ik die nare smaak van subtiele discriminatie in mijn monddode mond. Ik heb hier veel over nagedacht. En veel over gelezen. Want wat gebeurt er nu eigenlijk precies? Wat zit eronder?

In het boek “Witte gevoeligheid” van Robin DiAngelo beschrijft de auteur haar bevindingen tijdens haar jarenlange werk als diversiteitstrainer. Eén van die interessante bevindingen is dat mensen die (ten opzichte van de ander) op veel of meer punten voldoen aan de algemeen geldende norm -niet-gehandicapt, heteroseksueel, hoogopgeleid, wit, cis, man- zichzelf in hun diepste overtuiging vaak als moreel goed beschouwen. Omdat ze aan die norm voldoen. Ze gaan er daarom vanuit dat hun vragen of ik hulp nodig heb, of het ongevraagd geven ervan, voortkomt uit die vermeende morele goedheid.

En dat is precies de reden waarom zoveel mensen, in mijn geval ziende en/of horende mensen, regelmatig geagiteerd, boos, of defensief reageren als ik hen aanspreek op hun gedrag. Dit wordt door Robin DiAngelo “witte gevoeligheid” genoemd. Ze voelen zich aangetast in hun overtuiging van vermeende morele goedheid door iemand die in hun ogen net iets minder aan de norm voldoet dan zijzelf, en dus net iets minder goed is. Ik schrijf vermeend. Want iemand kan natuurlijk helemaal geen morele goedheid ontlenen aan het feit dat hij of zij meer aan de norm voldoet dan ik. Toch is dat precies wat er, bewust of onbewust, gebeurt.

Het vragen of ik hulp nodig heb, of het ongevraagd geven ervan, komt in veel gevallen helemaal niet voort uit goedheid. Er zit vaak een andere reden achter. Veel mensen die ergens op een treinstation of een andere openbare plek menen dat ik hun hulp nodig heb, doen dat omdat ik een situatie schets, een beeld creëer, die afwijkt van dat wat in hun ogen als “normaal” wordt gezien. In dit geval, op een treinstation, is het bijvoorbeeld voor ziende mensen “normaal” om zonder taststok vanuit een treindeur de kortst mogelijke route naar de uitgang of andere bestemming te lopen. Dat doe ik niet; ik volg geleidelijnen. En dat zijn nooit de kortste routes. Vaak lopen ze totaal anders dan de looproutes van zienden. Zo verstoor ik met taststok en al het “normale” beeld, en dus wordt gemeend dat ik hulp nodig heb. Want wat ik doe is volgens hen anders, wijkt af. Het gebeurt dus vaak niet vanuit een liefdevolle intentie dat men mij aanhoudt, maar vanuit een (onbewust) gevoel van ongemak voor dat wat anders is. Voor dat wat afwijkt. Of het “helpen” komt voort uit het idee dat iemand die vermeend iets minder goed is dan zijzelf, hun hulp wel zal kunnen gebruiken. Ik ben echter niet op aarde om dit soort gevoelens en ideeën te dienen. Ik loop gewoon over een lijntje.

DiAngelo Robin, Witte gevoeligheid, uitgeverij de Geus, 2020. Het boek is als audioboek te beluisteren op Storytel.